Inhoud

Geschiedenis


Voordracht uitgesproken ter gelegenheid van de heroprichting
van de Ridderschap van Zeeland op 28 augustus 2004
Door drs C.O.A. baron Schimmelpenninck van der Oije,
voorzitter van de Hoge Raad van Adel,
Ridderschap van Zeeland
ten aanzien van de leden van de Ridderschap 1814-1850.

Door het ontbreken van een ridderschap in Zeeland ten tijde van de Republiek, is het ontstaan van de Ridderschap van Zeeland in 1814 interessant om nader te bezien.
In de late middeleeuwen hadden in de Staten van Zeeland zitting de ambachtsheren met de steden (Middelburg, Zierikzee, Reimerswaal, Goes en Tholen). Onder die ambachtsheren bekleedde de prelaat (de abt, later de bisschop) van Middelburg als ambachtsheer van Oostkapelle, met enkele voorname edelen, vooraanstaande plaatsen: “prelaat en edelen” vormden dan ook met de stad Middelburg een enigszins rudimentair dagelijks gewestelijk bestuur. Aan het einde van de 16e eeuw bleef er in de statenvergadering slechts één edele over: “de eerste edele”, d.w.z. Prins Willem, optredend namens zijn in Spanje gevangen zoon, door een speciaal hiertoe aangewezen gemachtigde. Naast deze waren er zes steden: Reimerswaal verviel, Vlissingen en Veere werden toegevoegd, zodat de statenvergadering uit zeven leden bestond. “De eerste edele” representeerde de aan de Prins toebehorende heerlijkheid Vlissingen en het markizaat Veere. Zijn positie was nuttig om met de kleinere steden een tegenwicht te vormen ten opzichte van het overheersende Middelburg.
(Litt.: S.J. Fockema Andreae, De Nederlandse Staat onder de Republiek, 3e dr., 1969)

De periode na de Bataafs-Franse tijd is in zoverre een breuk met het verleden, dat vanaf 1813 de provincies onderworpen zijn aan het centrale gezag en niet zoals ten tijde van de Republiek de gewesten op voet van gelijkheid met elkaar een gezamenlijk bestuur uitoefenden. Nu waren in Provinciale Staten de steden, het platteland en de ridderschap te vinden. De ridderschappen in deze nieuwe situatie vertegenwoordigden niet meer het platteland, dat door de landelijke stand of die der eigenerfden werd vertegenwoordigd. De ridderschap werd een kiescollege voor Provinciale Staten en aldus voor de Tweede Kamer. Leden van de ridderschap konden lid worden van Provinciale Staten en ook als Gedeputeerde tot het provinciaal bestuur toetreden.

Haast werd gemaakt met de benoemingen in de ridderschappen. Bij Souverein Besluit van 28 augustus nr 14 werden de eerste reeksen personen in ridderschappen benoemd, waarvan 11 in Zeeland; in datzelfde jaar op 6 oktober één en op 7 oktober nog één. Tussen 1814 en 1816 werden 16 personen benoemd. Voorts zijn tussen 1819 en 1843 20 personen toegelaten. Bij het formeel eindigen van de functie van de ridderschappen in 1850 waren in Zeeland nog 13 leden in leven. Zij vergaderden echter niet meer. Het Fonds met het doel: onderstand der onvermogende weduwen en ongehuwde dochters van de leden van de ridderschap, is bij de opheffing verdeeld.

Benoeming in de ridderschap betekende verlening van adeldom. Voor zover de benoemden in Nederland niet eerder van adel waren, heeft hiermee in feite verheffing plaatsgevonden. Doch in Zeeland en Friesland, waar voor 1795 geen ridderschappen bestonden, is in het SB van 28 augustus 1814 nr 14 sprake van “erkend als Edele in de Provincie Zeeland (Friesland)”. Het SB van 13 februari 1815 hieromtrent luidde: “tot de adel zullen worden gerekend zij, die tot het in werking treden van de reglementen op de ridderschappen door de Souvereine Vorst daarin zijn of worden benoemd alsmede allen die door de Souvereine Vorst worden erkend, ingelijfd of verheven in de adel”. Op 30 maart 1815 kwamen de ridderschappen voor het eerst bijeen nadat de voorbereidende werkzaamheden zoals het vaststellen van reglementen waren afgerond. Onmiddellijk na de eerste bijeenkomst van Edelen in Zeeland besloten deze vergunning te vragen om als ridderschap te fungeren, zoals in de andere provincies. De Ridderschap van Zeeland werd aldus bij KB van 25 juni 1816 nr 70 ingesteld. Friesland volgde pas in 1825.

De in 1814 in de ridderschappen benoemden zijn derhalve van adel. Later, toen de gehele administratieve procedure op gang was gekomen en diploma’s werden verleend aan de geadelden, kon men deze eerste groep moeilijk alsnog een diploma laten lichten. Aan deze riddermatigen werd derhalve als afronding van de administratieve procedure een akte van bewijs uitgereikt. Dat gold niet de riddermatige Nederlandse adel sedert 1579. Uiteraard deed zich dit dilemma later niet meer voor, want dan liep de normale procedure: verlening van adeldom bij KB, gevolgd door toelating in een ridderschap. Nobilitatie werd niet altijd gevolgd door admissie in één van de ridderschappen al had iedereen die in de adelstand was opgenomen volgens art. 43 Grondwet het recht om in de ridderschap van zijn provincie te worden toegelaten. Er werden namelijk ook zekere eisen van welstand gesteld.

Wie werden in de Ridderschap van Zeeland benoemd? Als eerder vermeld had hier voor 1795 geen ridderschap bestaan, zodat men deze vrijwel moest creëren. Overigens hebben twee leden nimmer zitting genomen: één omdat hij ook benoemd was in de Ridderschap van Zuid-Brabant (Van Spangen), één omdat hij voor de eerste bijeenkomst overleed (Thibaut van Aagtekerke). Van de leden van de ridderschap had het grootste gedeelte geen titel; een kleiner deel was of werd later getiteld. Een aantal geslachten is inmiddels uitgestorven. Een en ander is in een lijst hierachter per persoon aangegeven. Nadere studie is vereist om na te gaan welke de relatie van elk der leden van de Ridderschap van Zeeland met de provincie was, terwijl uit genealogisch onderzoek goed is na te gaan hoe de onderlinge verwantschap van de leden was.
(Litt.: Nederland’s Adelsboek vanaf 1988: ‘Inleiding’; De Nederlandse adel. Besluiten en wapenbeschrijvingen, uitg. Hoge Raad van Adel, 1989; W.M. van Meeuwen, De Ridderschap van Noord-Brabant tot 1850, 2002; W.J. d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschappen in het koningrijk der Nederlanden, of de geschiedenis, regeling en zamenstelling van den stand der edelen van 1814 tot 1850, ’s-Hage 1875)

Bij reglement werden een groot kostuum en een klein kostuum vastgesteld. Het bestond uit een donkerblauwe rok, met witte zijde gevoerd, met negen vergulde knopen waarop het wapen van de provincie en met goud geborduurd op de kraag, wit ondergoed, een degen met verguld gevest en een driekanten hoed met zwarte pluim, gouden lis en knoop. Het klein kostuum was eenvoudiger uitgevoerd. Zal een dergelijk kostuum nog worden gevonden?
(Litt.: Reglement voor de Ridderschap van Zeeland, met bijlagen, Middelburg [1834])

Overzicht van de leden van de Ridderschap van Zeeland.

Bij SB van 28 augustus 1814 nr 14:
1) A.W. van Borssele 1784-1857, erkend als edele in Zeeland, akte van bewijs 5 mei 1819, tevens lid Provinciale Staten van Gelderland, uitgestorven 1917
2) F.A. van der Goltz 1770-1849, erkend als edele in Zeeland met homologatie van titel van graaf, akte van bewijs 20 november 1816, bedankt 1844, Nederlandse tak uitgestorven 1863
3) Mr J.C.R. van Hoorn van Burgh en Westland 1790-1862, erkend als edele in Zeeland, akte van bewijs 1 oktober 1816, bedankt 1834
4) W.J. Huyssen van Kattendijke 1758-1826, erkend als edele in Zeeland, akte van bewijs 20 november 1816, zijn zoon ridder en baron bij eerstgeboorte
5) Mr W.A. de Jonge van Campens Nieuwland 1763-1835, erkend als edele in Zeeland, akte van bewijs 1 oktober 1816
6) Mr A.J.C. Lampsins 1754-1834, erkend als edele in Zeeland, akte van bewijs 1 juli 1815, bij KB van 18 december 1815 nr 45 gehomologeerd de titel baron, uitgestorven 1848
7) A.J.D. de Perponcher Sedlnitsky 1765-1822, erkend als edele in Zeeland, akte van bewijs 26 februari 1817, bij KB van 6 juli 1822 ingelijfd met titel baron bij eerstgeboorte (inlijving overbodig wegens eerdere benoeming), door ongehuwd overlijden deze tak uitgestorven; uit zijn broer, bij KB van 18 april 1825 graaf bij eerstgeboorte, nakomelingen in Duitsland en opgenomen in gravenstand
8) Mr J.H. Schorer 1760-1822, erkend als edele in Zeeland, akte van bewijs 1 oktober 1816
9) Mr. N. Steengracht van Oosterland 1754-1840, erkend als edele in Zeeland, akte van bewijs 26 februari 1817
10) C.E. van Tuyll van Serooskerken van Zuylen 1775-1845, erkend als edele in Zeeland, bij KB van 31 maart 1822 nr 39 baron op alle, zijn tak uitgestorven 1878
11) Mr J.W. Thibaut van Aagtekerke 1776-1815, erkend als edele in Zeeland, akte van bewijs 26 februari 1817, overleden voor hij zitting kon nemen, met zijn dochter uitgestorven 1854
Bij SB van 6 oktober 1814 nr 4:
12) Mr A.C. van Citters 1774-1837, erkend als edele in Zeeland, akte van bewijs 26 maart 1817, deze tak uitgestorven
Bij SB van 7 oktober 1814 nr 53:
13) W.Z. van Borssele van der Hooghe 1757-1837, erkend als edele in Zeeland, akte van bewijs 17 september 1817, uitgestorven 1837
Bij KB van 30 december 1815 nr 15:
14) F.L.A. van Spangen 1760-1826, erkend als edele in Zeeland met de titel graaf (blijkt in 1825: bij eerstgeboorte), 13 maart 1816 benoemd in Ridderschap van Zuid-Brabant, neemt geen zitting in Zeeland, overleden zonder nakomelingen
Bij KB van 20 februari 1816 nr 87:
15) G.A. Boreel de Mauregnault 1751-1821, bij KB van 21 augustus 1815 nr 78 erkend te behoren tot de Nederlandse adel, deze tak uitgestorven 1821
Bij KB van 1 juli 1816 nr 93:
16) Mr J. Steengracht van Oostcapelle 1782-1846, zoon van 9, kleinzoon bij KB van 19 december 1888 baron bij eerstgeboorte, genaturaliseerd in Pruissen
Toegelaten 1819:
17) Mr J.A. van der Heim van Duijvendijke 1791-1870, zijn vader Antonie bij KB van 24 november 1816 nr 39 verheven, hemzelf bij KB van 16 maart 1841 nr 87 gehomologeerd de titel ridder bij eerstgeboorte en bij KB van 25 februari 1862 nr 98 verleend de titel baron bij eerstgeboorte, uitgestorven 1898
Toegelaten 1820:
18) Mr A. van der Straten van de Hill 1789-1857, bij KB van 9 februari 1818 nr 27 verheven, uitgestorven met zijn zoon in 1864
19) Mr M.E.C. Versluijs van Krabbendijke en Nieuwland 1752-1825, bij KB van 18 juli 1819 nr 53 verheven
20) D.I. Schorer 1764-1828, bij KB van 12 juni 1819 nr 6 verheven
Toegelaten 1822:
21) J.H. Schorer 1792-1841, zoon van 20
Toegelaten 1823:
22) Dr Mr F.C. de Jonge 1766-1834, bij KB van 9 januari 1821 nr 90 verheven
Toegelaten 1824:
23) Mr C.J. Versluijs van Krabbendijke en Nieuwland 1797-1849, zoon van 19
Toegelaten 1828:
24) Mr J. van Reigersberg Versluijs 1801-1866, zoon van 19, tak Van Reigersberg Versluijs
25) Mr J.C. Schorer van de Souburgen 1801-1856, zoon van 8
Toegelaten 1830:
26) W.H. van Panhuys 1798-1834, zijn vader Mr I.L. bij KB van 9 januari 1821 nr 90 verheven, een andere tak bij KB van 12 mei 1874 nr 12 baron bij eerstgeboorte
27) P.D. van Citters 1802-1888, diens vader Willem bij KB van 3 november 1828 nr 3 verheven,
Toegelaten 1832:
28) Mr P.J. Boddaert 1780-1843, bij KB van 14 januari 1832 nr 39 verheven
Toegelaten 1833:
29) Mr M.C. Paspoort van Grijpskerke 1797-1874, bij KB van 19 mei 1832 nr 8 verheven, uitgestorven met zijn zoon 1922
30) Mr H.J. van Doorn van Westcapelle 1786-1853, bij KB van 4 juli 1829 nr 225 verheven met recht van baron bij eerstgeboorte, zijn tak uitgestorven 1970
Toegelaten 1836:
31) Dr B. de Jonge 1787-1854, zoon van 5
Toegelaten 1837:
32) Mr D.G. van Teijlingen 1784-1862, bij KB van 3 januari 1836 nr 14 verheven, zijn tak uitgestorven
33) Mr J.P. Boddaert 1811-1885, zoon van 28
34) W.R. Boddaert 1812-1888, zoon van 28
Toegelaten 1841:
35) A.R. de Haze Bomme 1803-1847, zijn vader Mr W.A. bij KB van 5 augustus 1839 nr 98 verheven, uitgestorven 1890
Toegelaten 1843:
36) F.C. de Casembroot 1818-1880, zijn vader S.O. bij KB van 17 oktober 1838 nr 94 erkend in de Nederlandse adel, zijn tak in mannelijke lijn uitgestorven 1966.